Celibidache was fel tegen het maken van plaatopnames.

‘Wanneer iemand zegt dat mijn uitvoeringen te traag zijn, dan is hij muzikaal doof! Hij luistert dan alleen fysiek naar de directe frequenties en dat is niet waar het om gaat. Het gaat om de vierde octaaf de “astrale klank” die je moet horen en beleven.

Zelfs de critici hebben dit vaak niet begrepen omdat ze refereren aan verkeerde fysieke overtuigingen ofwel hoe iets zou moeten zijn. Ze zijn slachtoffers van foutieve ervaringen… Het referentiepunt ligt in de astrale wereld en dat heeft tijd nodig om in het hier en nu tot uiting te komen, dit begrijpen en kunnen ervaren heeft te maken met muzikaliteit.

Het geheugen is wat ons terughoudt en heeft foutieve referenties gecreëerd. Creativiteit kan alleen bestaan wanneer we alles opzij kunnen zetten dus ‘vrij zijn’. Helaas zijn alle opleidingen gebaseerd op de directe kennis en we zijn vergeten dat deze kennis alleen een werktuig is om in contact te komen met het astrale, en deze dimensie te kunnen begrijpen.

Ik kan dus geen cd-opnames maken omdat de microfoon niet in staat is dit aspect en de rijkdom hiervan te registreren. Zelfs in het digitale tijdperk waar een klank digitaal wordt opgesplitst in 1.600000 deeltjes en weer digitaal wordt gecombineerd tot een geheel. Welke criteria hanteert dit proces, deze digitale machine? Waar blijft de rijkdom en transcendente ervaring?’

https://cadenza-productions.nl/sergiu-celibidache-dirigent-god/

https://www.youtube.com/watch?v=m8Y5x1N_aIg

Gehoor-zin

'We leven in een tijd dat we alles willen vastleggen, voor eeuwig. We willen alles in een geheugen opslaan, mummificeren: foto’s, films, cassettes, enzovoort.  Daarbij gooien we alles op een hoop, alles is geoorloofd, en het komt niet bij ons op om onderscheid te maken tussen beeld en geluid. Toch is er geesteswetenschappelijk gezien een groot verschil tussen wat we afbeelden en wat we als geluid vastleggen. Ik zei het al: beeld is altijd schijn; geluid is altijd echt.
Waar het nu om gaat is dit. Op de gestorvenen heeft alles wat afbeelding is geen invloed. Dat is wel het geval met geluid, vooral van de menselijke stem. Muziek, spreken moet steeds opnieuw in de tijd ontstaan. Met een bandopname houden we geforceerd iets vast dat voorbij is. Als we dit innerlijk beseffen, begrijpen we ook dat het niet onschuldig is: de geconserveerde, magnetisch ingeblikte stem van iemand die gestorven is, die ons dierbaar is en niet willen missen, weer een ‘aanzetten’. Dat remt de ontwikkeling van de ziel die nu in de geestwereld is, die daar haar eigen weg moet gaan. Iets totaal anders is het om zelf, met eigen energie, de helpende herinnering aan de overledene tot leven te wekken. Dat is buitengewoon zinvol, hoe onvolkomen het ook lukt. En hoe moeten latere geschiedschrijvers ooit begrijpen dat in de twintigste eeuw bij crematies bandjes met geluid gebruikelijk waren om werkelijk aanwezige musici of zangers te vervangen? Een hakkelend woord, een niet helemaal zuiver gezongen lied is duizendmaal meer waard dan de meest perfecte symfonie door het meest beroemde orkest eens ten gehore gebracht. Het is wel perfect, maar niet aanwezig, niet waar. Wat in deze sfeer bij uitstek nodig is, is echtheid, aanwezig zijn.’ 

De twaalf zintuigen. Leraren van de mensheid/ Albert Soesman. Zeist: Christofoor. Zesde druk 2014.

ISBN 978 90 6048 4244